Het afschaffen van dierrechten in 2015 leidt voor de pluimveehouderij zeer waarschijnlijk tot een uitbreiding van het aantal dieren. Voor het aantal varkens heeft afschaffing op de korte termijn geen effect omdat deze sector maar beperkt financieringscapaciteit heeft.
Gevolgen veehouders
Dit blijkt uit onderzoek dat het LEI, onderdeel van Wageningen UR, heeft uitgevoerd voor het ministerie van LNV. Voor de sociaaleconomische positie van veehouders is er een verschil tussen de varkens- en de pluimveesector. Pluimveehouders ondervinden een vermogensverlies door de afschaffing, omdat de waarde van de dierrechten ook na 2013 nog hoog geweest zou kunnen zijn. Voor varkenshouders gaat dat niet op omdat de waarde van varkensrechten waarschijnlijk laag zal zijn. Immers, door de wettelijke ammoniak- en welzijnsmaatregelen per 2013 zijn de mogelijkheden voor bedrijfsuitbreiding beperkt, en dus de vraag naar varkensrechten ook.
Milieueffecten
Voor het milieu zijn de effecten van het afschaffen van de dierrechten vrij beperkt. De fosfaatproductie varieert van 151 miljoen kg in het drastische scenario tot 170 miljoen kg in het gematigde scenario. (tegen 176 mln kg in 2008). Voor de ammoniakemissie van de gehele veestapel is dat 90-98 mln. kg (tegen 120 mln kg in 2007).Voor de emissie van broeikasgassen zijn de effecten niet noemenswaardig. De uitstoot van fijnstof wordt iets vergroot door de uitbreiding van de pluimveehouderij.
Na de afschaffing van de dierrechten zal de concurrentie op de mestafzetmarkt mede bepalend zijn voor de omvang van de varkens- en rundveestapel. Ook voor 2020 wordt verwacht dat de melkveehouderij de concurrentie op de mestmarkt van de varkenshouderij zal winnen. Een eventuele vergroting van de melkveestapel gaat dan ten koste van de varkensstapel (5% meer melkvee betekent 2% minder zeugen en 5% minder vleesvarkens).
Wanneer deze uitbreiding optreedt, wordt het nationale mestoverschot groter, tenzij de ver- of bewerking van varkensmest tot stand komt en deze bewerkte mest naar het oosten van West-Duitsland en naar het noorden van Frankrijk kan worden afgezet. Het kunnen verbranden van vrijwel alle pluimveemest door de realisatie van een tweede verbrandingscentrale is in dit geval een voorwaarde.