
Het aantal veehouders dat deelneemt aan bedrijfsspecifieke excretie (BEX) is in 2011 gestegen tot 66 procent, tegen 52 procent een jaar eerder. Dat blijkt uit een inventarisatie van BLGG AgroXpertus. Tijdens een voorlopige inschatting in november 2011 werd nog uitgegaan van 64 procent BEX-deelnemers. In december heeft een aantal veehouders dus alsnog besloten tot deelname aan de wettelijke regeling.
Stijging noorden en westen
De stijging van het aantal deelnemers was vooral groot in de noordelijke provincies (Friesland, Groningen en Drenthe) en het westelijk weidegebied. In het noorden steeg het percentage deelnemende bedrijven van gemiddeld 25 procent in 2010 naar 47 procent in 2011. In het westelijk veehouderijgebied nam het aandeel deelnemende bedrijven toe van 29 naar 57 procent.
Bedrijfseigen excretie
Veehouders die deelnemen aan BEX kunnen – met het door Koeien & Kansen ontwikkelde BEX-rekenprogramma – bedrijfseigen excretiecijfers hanteren als alternatief voor de nationale excretienormen. Door het rantsoen te optimaliseren, daalt de excretie. Hierdoor zijn er minder kosten voor mestafzet of ontstaat er meer ruimte voor aanvoer van dierlijke mest.
Deelname interessant
De toename van het aantal BEX-deelnemers is het gevolg van een aantal factoren. In het begin van de regeling hadden vooral intensieve melkveebedrijven voordeel van BEX. Door aanscherping van de normen voor fosfaatbemesting, wordt deelname ook voor minder intensieve bedrijven interessant. Belangrijk is ook dat toeleveranciers en adviserende partijen bij hun klanten de voordelen van BEX in kaart hebben gebracht. BEX kan immers een belangrijke rol spelen om de afspraken in het voerconvenant (waarin afspraken zijn gemaakt over terugdringing van het P-overschot) te realiseren. Verder moedigt ook de zuivelindustrie het gebruik van BEX aan.
Bron: BLGG AgroXpertus