
Binnen het project ‘Jongveeopfok: faalkosten en winstkansen’ is gekeken naar de relatie tussen de afkalfleeftijd van vaarzen (ALVA) en de 305-dagen melkproductie in de eerste lactatie. Uit de analyse blijkt dat vaarzen met een lagere ALVA dan gemiddeld een significant lagere melkproductie hebben. De economisch optimale ALVA voor individuele vaarzen lijkt een ALVA te zijn die zowel in negatieve als positieve zin niet teveel afwijkt van het gemiddelde van het bedrijf.
Lagere melkopbrengst
Op basis van bestaande kennis blijkt de opfok van een goede vaars in 24 maanden haalbaar te zijn. Maar in de praktijk ligt de gemiddelde ALVA rond de 26 maanden. Op veel bedrijven is dus een lagere afkalfleeftijd mogelijk en daarmee besparing van opfokkosten, met schattingen van 40 tot 90 euro per maand verkorting. Als een kortere opfokperiode tot een lagere melkproductie leidt, worden de lagere opfokkosten echter teniet gedaan door lagere melkopbrengsten.
Deelnemende bedrijven
De informatie van het project is gebaseerd op informatie van 100 Nederlandse melkveebedrijven (uit het westen van de provincie Utrecht) gedurende de jaren 2003-2010. Totaal was er informatie beschikbaar van 8454 vaarzen. De vaarzen hadden een gemiddelde ALVA van 26 maanden en een gemiddelde 305-dagen melkproductie van 7493 kg melk.
Significant
De resultaten laten zien dat vaarzen met een ALVA lager dan het bedrijfsgemiddelde een significante lagere melkproductie hebben. Bijvoorbeeld, op een bedrijf met een gemiddelde van 26 maanden heeft een vaars met een ALVA van 24 maanden een 180 kg lagere 305-dagen melkproductie. Vaarzen die echter een ALVA hebben die boven het gemiddelde van het bedrijf ligt hebben een significant hogere melkproductie. Bijvoorbeeld, op een bedrijf met een gemiddelde van 26 maanden heeft een vaars met een ALVA van 28 maanden een 160 kg hogere 305-dagen melkproductie.
Overweging
Het jonger laten afkalven van vaarzen verlaagt de opfokkosten, maar het heeft een negatief effect op de melkproductie. Het afkalven op een oudere leeftijd verhoogt de opfokkosten, maar het heeft een positief effect op de melkproductie. Veehouders moeten dus een economische overweging maken wanneer ze voor individuele vaarzen de ALVA plannen. De economisch optimale ALVA voor vaarzen lijkt een ALVA te zijn die zowel in negatieve als positieve zin niet teveel afwijkt van het gemiddelde van het bedrijf.
Het project ‘Jongveeopfok: faalkosten en winstkansen’ wordt gefinancierd door het Productschap Zuivel en uitgevoerd door een samenwerkingsverband van DLV, WUR Livestock Research, WUR Leerstoelgroep Bedrijfseconomie en de UU Faculteit Diergeneeskunde.
http://www.verantwoordeveehouderij.nl/index.asp?pzprojecten/projectkaart.asp?IDProject=415